Home De Werkwinkel Quint Muziek Quint College Galerie Contact Over
De zorg voor cognitief getalenteerde leerlingen Op de Sint Nicolaasschool in Haren wordt al meer dan twaalf jaar ruimte gecreëerd om een goed programma te ontwikkelen voor cognitief getalenteerde kinderen. Ik ben Ron Schrijver. Ik ben aangesteld om dit beleid, vanuit het principe van de Werkwinkel, te ontwikkelen en voor een groot deel uit te voeren. De Werkwinkel is een concept van onze directeur Alice Duursma van waaruit allerlei soorten kindhulpvragen bediend kunnen worden. Mijn afdeling gaat over de cognitief getalenteerde kinderen en over sociaal-emotionele zorg. We mogen zeggen dat we inmiddels een doordacht beleid voor deze doelgroep hebben, de ruimte om dit uit te voeren en dit schoolbreed uit te stralen. Doelstelling De eerste en ook belangrijkste doelstelling is deze leerlingen te leren werken op niveau. Daarnaast willen we de leerlingen uitdagen met doelgerichte leerstof en ze motiveren om zich te willen ontwikkelen. Ze moeten productief zijn en presteren op een niveau dat bij hun cognitieve en sociaal-emotionele capaciteiten hoort. Al hun leertijd hier op school wordt effectief benut en de plusdoelen zijn gericht op het aanleren van vaardigheden. Belangrijke vaardigheden zijn: Jezelf motiveren, omgaan met je overtuigingen, geheugen gebruiken, zelfstandig werken, samenwerken, omgaan met frustraties. We willen de hiaten die gemakkelijk kunnen ontstaan bij meer- en hoogbegaafde leerlingen opsporen en oplossen. Hiaten kunnen bijvoorbeeld gemakkelijk ontstaan bij de ontwikkeling van bepaalde executieve functies, bij de ontwikkeling van het automatiseren en bij het leren volgens de geheugenroute. Schoolbreed gezien willen we dat alle leerlingen profijt hebben van de extra’s die de talentvolle leerlingen krijgen. Alle leerlingen verdienen het om mee te genieten van het leren op niveau. Talentvolle leerlingen We gaan er vanuit dat de talentvolle leerlingen die niet voldoende uitgedaagd worden door het reguliere programma zorgkinderen zijn. Zij verdienen gerichte zorg, doordacht, kindgericht en compleet met handelingsplannen, evaluaties en bijstellingen. In de werkwinkel werken de meeste leerlingen volgens een subgroephandelingsplan. Waar nodig zijn er individuele handelingsplannen. De kinderen met het volledige werkwinkelpakket noemen we werkwinkelkinderen. De kinderen met het pluswerk geregeld vanuit de werkwinkel noemen we pluskinderen . Het volledige werkwinkelpakket bestaat uit: Contractwerk, lessen en opdrachten vanuit de digitale leeromgeving, keuzewerk, eigen verdieping en lessen in de werkwinkel. Het pluswerk geregeld vanuit de werkwinkel kan omvatten: Contractwerk, Somplex en Quint digitale leeromgeving. De werkwinkelkinderen hebben een vast lesmoment. De pluskinderen komen regelmatig in het werkwinkellokaal werken. Op die momenten krijgen zij, wanneer nodig, begeleiding. Op internet wordt hun werk gecontroleerd en krijgen ze nieuwe opdrachten. Ook mogen zij zo nu en dan een werkwinkelles bijwonen. De toets voor cognitief getalenteerde leerlingen Talentvolle kinderen heb je in verschillende hoedanigheden. Al deze kinderen wil je bedienen met het voor hen geschikte programma. Al deze kinderen wil je geven wat ze verdienen. Juist deze kinderen wil je uitdagen, maar je wil ze ook niet overvoeren. Wat kunnen ze daadwerkelijk aan? Dat haal je niet uit hun Citoscore, ook niet uit hun gedrag. Je haalt het niet uit hun interesses en ook niet uit hun werktempo. Dat moet je toetsen. Maar hoe? We zouden daar graag een bestaande genormeerde toets voor willen inzetten, bijvoorbeeld de Wisc. Maar als we alle kinderen bij wie we twijfelen of ze in het één of in het andere plusprogramma horen een gefundeerde keuze willen maken, zouden we er hier op school zo’n veertig moeten toetsen. De bestaande toetsen zijn te tijdrovend, te duur en veel uitgebreider dan voor dit doel nodig. Bovendien zijn we niet nieuwsgierig naar het I.Q. van een leerling. We willen weten of ze onze programma’s aankunnen. Dat het aankunnen van een bepaald leerprogramma vaak parallel loopt met de hoogte van een I.Q. staat voor ons buiten kijf, maar wij behoeven die diagnose niet te stellen. In principe zou je met twee toetsonderdelen uit de voeten kunnen. Een onderdeel die uitwijst hoe het denkvermogen van een kind zich in het verleden ontwikkeld heeft en een onderdeel die het huidige denkvermogen aangeeft. Hierbij zou je kunnen denken aan onderdelen als “informatieverwerking” en “begrijpen”. Maar slechts twee onderdelen middelen is hier wat tricky. Een paar vergissinkjes en het resultaat is al afwijkend van de werkelijkheid. Daarom hebben we er nog twee onderdelen uit dezelfde ontwikkelingvelden aan toegevoegd. De onderdelen “woordenschat” en “overeenkomsten”. Bij elkaar zijn dat vier onderdelen waar je het verbaal I.Q. mee toetst. Dat willen we eigenlijk niet maar een prettige bijkomstigheid is wel dat je kunt zeggen dat bij een hoge score het goed mogelijk is dat we met een meer- of hoogbegaafd kind te doen hebben. Inmiddels hebben we wat onderzoek gedaan en geleerd dat kinderen met een forse discrepantie tussen het verbaal en performaal I.Q., waarbij het performaal I.Q. opvallend hoger uitkomt dan het verbaal I.Q. met deze vier onderdelen buiten de boot vallen. Daarvoor hebben we er een onderdeel bij bedacht die de perceptuele organisatie toetst. Een onderdeel die het vooruit kijken en de visueel motorische coördinatie toetst. Twee vliegen in één klap dus. Omdat het bij ons gaat om de zwaarte van het programma wat we willen aanbieden rekenen we de resultaten om naar een plaats in de zogenoemde “normal distribution”. Komt een leerling in de +2%- schaal uit dan kan het ons complete plusprogramma aan. Bij deze kinderen gaan we ervan uit dat ze meer- of hoogbegaafd zijn. Komt een kind gemiddeld in de +14%-schaal uit dan bieden we een minder complex programma aan. Komt een kind bovenin de +34%-schaal uit dan zou de reguliere verrijkingsstof voldoende moeten zijn.

Richtlijnen

Op school hanteren we de volgende leerlijnen: Leerlijn1: Leerlingen volgen een eigen leerlijn. Zij kunnen ondanks alle mogelijke hulp het reguliere programma niet bijbenen. Ze zijn uitvoerig onderzocht. Deze stap is in overleg met ouders en één of meerdere deskundigen gemaakt. Ze werken volgens een handelingsplan. Leerlijn 2: Leerlingen hebben hulp nodig om het reguliere programma te kunnen volgen. Deze hulp staat in het individuele handelingsplan en wordt door de ouders ondersteund. Leerlijn 3: Leerlingen volgen het reguliere programma. Voor hen is dat voldoende leerstof en uitdaging. Leerlijn 4: Leerlingen volgen het reguliere programma maar hebben de ruimte om zich extra te verdiepen in de leerstof. Zij doen de verrijkingsstof uit de methodes en krijgen pluswerk vanuit de Werkwinkel Leerlijn 5: Bij deze leerlingen gaan we ervan uit dat ze meer- of hoogbegaafd zijn. Zij volgen het volledige werkwinkelprogramma en komen in aanmerking voor reducering of compactering van de reguliere leerstof. Van alle leerlingen worden de kenmerken bekeken in de sidi- signalerlingslijsten A.1.3 en B.1.3. Bij een score van 5 of meer items op het onderdeel leeraspecten worden leerlingen aangemeld bij de Werkwinkel. Meestal zijn dit leerlijn 4-leerlingen. Deze leerlingen worden onderzocht met onze eigen toets voor cognitief getalenteerde leerlingen. Bij voldoende resultaat volgt plaatsing in de Werkwinkel. De werkwinkellessen In het werkwinkelprogramma zijn vaste lessen gepland. Hierin zitten vakken als wiskunde, natuurwetenschap, Engels, techniek, cultuur, sociale wetenschappen, presenteren, debatteren en leren studeren. Het lestempo is hoog en de leerstof is pittig. Leerlingen maken aantekeningen. Uiteindelijk zullen ze vanuit die aantekeningen de les moeten kunnen reproduceren. We handelen volgens de taxonomie van 'Bloom'. In het werkwinkellokaal vinden de volgende activiteiten plaats: 1. Verplichte lesmomenten voor de werkwinkelkinderen. 2. Vrije lesmomenten voor werkwinkel- en quintkinderen. 3. Toetsmomenten cognitief talent. 4. Zelfstanding werkmomenten. 5. Nakijksessies van het pluswerk in de groepen. 6. Presentaties en exposities. 7. Gastlessen voor de werkwinkelkinderen. 8. Presentaties en hoorcolleges voor collega’s. Taxonomie van Bloom Een van de meest gebruikte manieren, in de werkwinkel, om verschillende kennisniveaus in te delen, is op basis van de taxonomie van Bloom. Deze is tussen 1948 en 1956 ontwikkeld door de onderwijspsycholoog Benjamin Bloom, als algemeen model voor de doelstellingen van het leerproces. De taxonomie onderscheidt verschillende niveaus, oplopend in moeilijkheidsgraad: • kennis reproductie • inzicht • toepassing • analyse • creatie/synthese • evaluatie In de werkwinkel proberen we veel te werken aan de hand van de laatste drie niveaus. We hopen hiermee de vaardigheid om informatie op te delen in onderdelen, de vaardigheid om de waarde van iets te kunnen beoordelen in relatie tot een bepaald doel en de vaardigheid met behulp van het geleerde nieuwe ideeën te vinden, te ontwikkelen. Bloom noemt dit: het hogere orde denken. We realiseren dit vooral door goed na te denken over de vraagstelling in leergesprekken en bij de opdrachten (hogere orde vragen). Thematisch vakoverstijgend contractwerk Contractwerk is een leeractiviteit die past in de vorm van ontwikkelingsgericht leren in de werkwinkel. Een motiverende vorm van leren waar het ontwikkelen van een efficiënte werkhouding (en daarmee van gestructureerd leren, zelfstandig leren en werken!) een belangrijk nevendoel is: met kinderen worden afspraken gemaakt op basis van de eigen planning. Kinderen nemen zelf initiatieven, afspraken moeten worden nagekomen. Dit naast het keuzewerk, de vaste lessen en de lessen uit de digitale leeromgeving. De leerlingen kunnen, ook hier, hun aangeleerde strategieën in praktijk brengen en de executieve functies trainen. De digitale leeromgeving We hebben op school een eigen, voor de werkwinkelleerlingen ontwikkelde, digitale leeromgeving. Leerlingen krijgen van hieruit opdrachten en lessen. De begeleidende leerkracht geeft a.h.w. les aan leerlingen die niet bij elkaar in een lokaal hoeven te zitten. Overal waar het kind internet heeft kan het de lessen volgen. Verwerkingen kunnen digitaal of in het werkwinkellokaal op school worden ingeleverd. De doelstelling van deze digitale leeromgeving is een bijdrage te leveren aan uitdagend onderwijs op maat voor deze doelgroep en ondersteuning te bieden aan onderwijsgevenden die hen daarbij begeleiden. De moderator, bij ons de werkwinkelleerkracht, regelt en onderhoudt een topdomein voor de school. Keuzewerk Voor het keuzewerk hebben we een reeks educatieve spellen en werkbladen voor korte verwerkingen. Leerlingen die een werkstuk hebben afgerond of die om een andere reden even iets anders willen, kunnen alleen, of met medeleerlingen uit de werkwinkel, een bijeenkomst of een zelfstandig werkwinkelmoment keuzewerk doen. Deze mogelijkheid zorgt ervoor dat leerlingen zich in ‘werktijd’ kunnen ontspannen, en dat de leerlingen altijd een goede tijdsbesteding in de werkwinkel kunnen maken. Verdiepen naar eigen keuze De leerlingen kunnen zich in de werkwinkel in allerlei zaken verdiepen. De werkwinkelleerkracht geeft handreikingen wat betreft de onderwerpen en biedt verschillende mogelijkheden d.m.v. het materialenaanbod. Een verdieping wordt afgesloten met een presentatie. Onderwerpen, manier van onderzoeken en gegevens verzamelen, en de vorm van presenteren, kiest de leerling zelf. We hebben werkwinkelrichtlijnen waaraan een presentatie moet voldoen. De oudere leerlingen geven één presentatie. Daarna wordt een eigen verdieping omgezet in een les. Een les bestaat uit een instructie, een verwerking en een controlemoment. Studeren De leerlingen in de werkwinkel moeten zich verdiepen in allerlei onderwerpen, ze moeten plannen, we vragen van ze om meerdere werk- en leervormen gelijktijdig te hanteren, en de leerstof kan pittig zijn. In de periode dat ze zelfstandig en volgens de werkwinkelnormen aan een presentatie werken worden er lessen gegeven waar ook leerwerk uit voort kan vloeien, werken ze aan contractwerk waarvan de verwerking binnen een bepaalde tijd af moet en krijgen ze opdrachten in de digitale leeromgeving Acadin. Bij het volgen van de vaste lessen ‘algemene ontwikkeling’ hebben de leerlingen hun aantekenschrift bij de hand. Iedereen maakt voor zich aantekeningen. Trefwoorden en korte zinnen moeten zo geordend zijn dat de leerling later een presentatie over dat onderwerp vanuit die aantekeningen kan geven. In het vaste lessenpakket zit ook de lessenserie “Leren leren” (Minka Dumont 2008). In deze lessenserie leren de kinderen over de werking van de hersenen en over de verschillende hersenfuncties. Ze leren hoe het geheugen werkt en toetsen hoe hun eigen geheugen de leerstof het beste onthoudt. Ze leren wat effectieve manieren van leren voor hen zijn en oefenen verschillende technieken zoals mindmappen, samenvatten, markeren en het maken van studiekaarten. Ze leren hoe ze écht moeten leren … want velen hebben dat nog nooit hoeven doen. We zijn inmiddels in een fase beland waarin we naast het door- ontwikkelen moeten waken voor het vasthouden van het al ontwikkelde. En dat is toch ook een serieuze en stoere taak. Het ligt ook helemaal in het verlengde van de ontwikkelingen in de leerstrategie van de werkwinkel. Het accent gaat, zowel bij de leerlingen als bij de scholingsmomenten voor de collega’s, liggen op waar het ontwikkelingspotentieel ligt. “Snelle” leerlingen hebben de potentie probleemstellingen goed op te lossen, maar kunnen daarin gehinderd worden door hiaten die ontstaan in hun leerontwikkeling omdat ze bepaalde executieve functies vanuit een snelle denkstrategie niet trainen. We proberen hier op school al jaren die hiaten te ondervangen en de problemen voor te zijn. En dat lukt ook goed. Maar het zou het mooist zijn als deze leerlingen dat vanuit een bepaalde mindset zelf leren doen. En eigenlijk geldt dat niet alleen voor onze cognitieve talenten maar voor alle leerlingen. Ook bij de scholing naar de collega’s gaan we kijken naar onze talenten. Maar we gaan ook leren dat er tegenover ieder talent ook een uitdaging staat en dat het ontwikkelpotentieel vooral bij die uitdagingen te vinden is. Dat maakt ons kritisch naar onszelf en dat leert ons weer ons onbewuste gedrag te doorgronden. En daarmee sturen we het Pygmalion-effect (leerresultaat verbeteren door onbewuste sturing vanuit onze verwachting). Ik voorspel hiermee een nog positievere uitwerking op de leerresultaten van onze leerlingen.
© Ron Schrijver
De Werkwinkel
De Werkwinkel
De zorg voor cognitief getalenteerde leerlingen Op de Sint Nicolaasschool in Haren wordt al meer dan twaalf jaar ruimte gecreëerd om een goed programma te ontwikkelen voor cognitief getalenteerde kinderen. Ik ben Ron Schrijver. Ik ben aangesteld om dit beleid, vanuit het principe van de Werkwinkel, te ontwikkelen en voor een groot deel uit te voeren. De Werkwinkel is een concept van onze directeur Alice Duursma van waaruit allerlei soorten kindhulpvragen bediend kunnen worden. Mijn afdeling gaat over de cognitief getalenteerde kinderen en over sociaal-emotionele zorg. We mogen zeggen dat we inmiddels een doordacht beleid voor deze doelgroep hebben, de ruimte om dit uit te voeren en dit schoolbreed uit te stralen. Doelstelling De eerste en ook belangrijkste doelstelling is deze leerlingen te leren werken op niveau. Daarnaast willen we de leerlingen uitdagen met doelgerichte leerstof en ze motiveren om zich te willen ontwikkelen. Ze moeten productief zijn en presteren op een niveau dat bij hun cognitieve en sociaal-emotionele capaciteiten hoort. Al hun leertijd hier op school wordt effectief benut en de plusdoelen zijn gericht op het aanleren van vaardigheden. Belangrijke vaardigheden zijn: Jezelf motiveren, omgaan met je overtuigingen, geheugen gebruiken, zelfstandig werken, samenwerken, omgaan met frustraties. We willen de hiaten die gemakkelijk kunnen ontstaan bij meer- en hoogbegaafde leerlingen opsporen en oplossen. Hiaten kunnen bijvoorbeeld gemakkelijk ontstaan bij de ontwikkeling van bepaalde executieve functies, bij de ontwikkeling van het automatiseren en bij het leren volgens de geheugenroute. Schoolbreed gezien willen we dat alle leerlingen profijt hebben van de extra’s die de talentvolle leerlingen krijgen. Alle leerlingen verdienen het om mee te genieten van het leren op niveau. Talentvolle leerlingen We gaan er vanuit dat de talentvolle leerlingen die niet voldoende uitgedaagd worden door het reguliere programma zorgkinderen zijn. Zij verdienen gerichte zorg, doordacht, kindgericht en compleet met handelingsplannen, evaluaties en bijstellingen. In de werkwinkel werken de meeste leerlingen volgens een subgroephandelingsplan. Waar nodig zijn er individuele handelingsplannen. De kinderen met het volledige werkwinkelpakket noemen we werkwinkelkinderen. De kinderen met het pluswerk geregeld vanuit de werkwinkel noemen we pluskinderen . Het volledige werkwinkelpakket bestaat uit: Contractwerk, lessen en opdrachten vanuit de digitale leeromgeving, keuzewerk, eigen verdieping en lessen in de werkwinkel. Het pluswerk geregeld vanuit de werkwinkel kan omvatten: Contractwerk, Somplex en Quint digitale leeromgeving. De werkwinkelkinderen hebben een vast lesmoment. De pluskinderen komen regelmatig in het werkwinkellokaal werken. Op die momenten krijgen zij, wanneer nodig, begeleiding. Op internet wordt hun werk gecontroleerd en krijgen ze nieuwe opdrachten. Ook mogen zij zo nu en dan een werkwinkelles bijwonen. De toets voor cognitief getalenteerde leerlingen Talentvolle kinderen heb je in verschillende hoedanigheden. Al deze kinderen wil je bedienen met het voor hen geschikte programma. Al deze kinderen wil je geven wat ze verdienen. Juist deze kinderen wil je uitdagen, maar je wil ze ook niet overvoeren. Wat kunnen ze daadwerkelijk aan? Dat haal je niet uit hun Citoscore, ook niet uit hun gedrag. Je haalt het niet uit hun interesses en ook niet uit hun werktempo. Dat moet je toetsen. Maar hoe? We zouden daar graag een bestaande genormeerde toets voor willen inzetten, bijvoorbeeld de Wisc. Maar als we alle kinderen bij wie we twijfelen of ze in het één of in het andere plusprogramma horen een gefundeerde keuze willen maken, zouden we er hier op school zo’n veertig moeten toetsen. De bestaande toetsen zijn te tijdrovend, te duur en veel uitgebreider dan voor dit doel nodig. Bovendien zijn we niet nieuwsgierig naar het I.Q. van een leerling. We willen weten of ze onze programma’s aankunnen. Dat het aankunnen van een bepaald leerprogramma vaak parallel loopt met de hoogte van een I.Q. staat voor ons buiten kijf, maar wij behoeven die diagnose niet te stellen. In principe zou je met twee toetsonderdelen uit de voeten kunnen. Een onderdeel die uitwijst hoe het denkvermogen van een kind zich in het verleden ontwikkeld heeft en een onderdeel die het huidige denkvermogen aangeeft. Hierbij zou je kunnen denken aan onderdelen als “informatieverwerking” en “begrijpen”. Maar slechts twee onderdelen middelen is hier wat tricky. Een paar vergissinkjes en het resultaat is al afwijkend van de werkelijkheid. Daarom hebben we er nog twee onderdelen uit dezelfde ontwikkelingvelden aan toegevoegd. De onderdelen “woordenschat” en “overeenkomsten”. Bij elkaar zijn dat vier onderdelen waar je het verbaal I.Q. mee toetst. Dat willen we eigenlijk niet maar een prettige bijkomstigheid is wel dat je kunt zeggen dat bij een hoge score het goed mogelijk is dat we met een meer- of hoogbegaafd kind te doen hebben. Inmiddels hebben we wat onderzoek gedaan en geleerd dat kinderen met een forse discrepantie tussen het verbaal en performaal I.Q., waarbij het performaal I.Q. opvallend hoger uitkomt dan het verbaal I.Q. met deze vier onderdelen buiten de boot vallen. Daarvoor hebben we er een onderdeel bij bedacht die de perceptuele organisatie toetst. Een onderdeel die het vooruit kijken en de visueel motorische coördinatie toetst. Twee vliegen in één klap dus. Omdat het bij ons gaat om de zwaarte van het programma wat we willen aanbieden rekenen we de resultaten om naar een plaats in de zogenoemde “normal distribution”. Komt een leerling in de +2%-schaal uit dan kan het ons complete plusprogramma aan. Bij deze kinderen gaan we ervan uit dat ze meer- of hoogbegaafd zijn. Komt een kind gemiddeld in de +14%-schaal uit dan bieden we een minder complex programma aan. Komt een kind bovenin de +34%-schaal uit dan zou de reguliere verrijkingsstof voldoende moeten zijn.

Richtlijnen

Op school hanteren we de volgende leerlijnen: Leerlijn1: Leerlingen volgen een eigen leerlijn. Zij kunnen ondanks alle mogelijke hulp het reguliere programma niet bijbenen. Ze zijn uitvoerig onderzocht. Deze stap is in overleg met ouders en één of meerdere deskundigen gemaakt. Ze werken volgens een handelingsplan. Leerlijn 2: Leerlingen hebben hulp nodig om het reguliere programma te kunnen volgen. Deze hulp staat in het individuele handelingsplan en wordt door de ouders ondersteund. Leerlijn 3: Leerlingen volgen het reguliere programma. Voor hen is dat voldoende leerstof en uitdaging. Leerlijn 4: Leerlingen volgen het reguliere programma maar hebben de ruimte om zich extra te verdiepen in de leerstof. Zij doen de verrijkingsstof uit de methodes en krijgen pluswerk vanuit de Werkwinkel Leerlijn 5: Bij deze leerlingen gaan we ervan uit dat ze meer- of hoogbegaafd zijn. Zij volgen het volledige werkwinkelprogramma en komen in aanmerking voor reducering of compactering van de reguliere leerstof. Van alle leerlingen worden de kenmerken bekeken in de sidi- signalerlingslijsten A.1.3 en B.1.3. Bij een score van 5 of meer items op het onderdeel leeraspecten worden leerlingen aangemeld bij de Werkwinkel. Meestal zijn dit leerlijn 4- leerlingen. Deze leerlingen worden onderzocht met onze eigen toets voor cognitief getalenteerde leerlingen. Bij voldoende resultaat volgt plaatsing in de Werkwinkel. De werkwinkellessen In het werkwinkelprogramma zijn vaste lessen gepland. Hierin zitten vakken als wiskunde, natuurwetenschap, Engels, techniek, cultuur, sociale wetenschappen, presenteren, debatteren en leren studeren. Het lestempo is hoog en de leerstof is pittig. Leerlingen maken aantekeningen. Uiteindelijk zullen ze vanuit die aantekeningen de les moeten kunnen reproduceren. We handelen volgens de taxonomie van 'Bloom'. In het werkwinkellokaal vinden de volgende activiteiten plaats: 1. Verplichte lesmomenten voor de werkwinkelkinderen. 2. Vrije lesmomenten voor werkwinkel- en quintkinderen. 3. Toetsmomenten cognitief talent. 4. Zelfstanding werkmomenten. 5. Nakijksessies van het pluswerk in de groepen. 6. Presentaties en exposities. 7. Gastlessen voor de werkwinkelkinderen. 8. Presentaties en hoorcolleges voor collega’s. Taxonomie van Bloom Een van de meest gebruikte manieren, in de werkwinkel, om verschillende kennisniveaus in te delen, is op basis van de taxonomie van Bloom. Deze is tussen 1948 en 1956 ontwikkeld door de onderwijspsycholoog Benjamin Bloom, als algemeen model voor de doelstellingen van het leerproces. De taxonomie onderscheidt verschillende niveaus, oplopend in moeilijkheidsgraad: • kennis reproductie • inzicht • toepassing • analyse • creatie/synthese • evaluatie In de werkwinkel proberen we veel te werken aan de hand van de laatste drie niveaus. We hopen hiermee de vaardigheid om informatie op te delen in onderdelen, de vaardigheid om de waarde van iets te kunnen beoordelen in relatie tot een bepaald doel en de vaardigheid met behulp van het geleerde nieuwe ideeën te vinden, te ontwikkelen. Bloom noemt dit: het hogere orde denken. We realiseren dit vooral door goed na te denken over de vraagstelling in leergesprekken en bij de opdrachten (hogere orde vragen). Thematisch vakoverstijgend contractwerk Contractwerk is een leeractiviteit die past in de vorm van ontwikkelingsgericht leren in de werkwinkel. Een motiverende vorm van leren waar het ontwikkelen van een efficiënte werkhouding (en daarmee van gestructureerd leren, zelfstandig leren en werken!) een belangrijk nevendoel is: met kinderen worden afspraken gemaakt op basis van de eigen planning. Kinderen nemen zelf initiatieven, afspraken moeten worden nagekomen. Dit naast het keuzewerk, de vaste lessen en de lessen uit de digitale leeromgeving. De leerlingen kunnen, ook hier, hun aangeleerde strategieën in praktijk brengen en de executieve functies trainen. De digitale leeromgeving We hebben op school een eigen, voor de werkwinkelleerlingen ontwikkelde, digitale leeromgeving. Leerlingen krijgen van hieruit opdrachten en lessen. De begeleidende leerkracht geeft a.h.w. les aan leerlingen die niet bij elkaar in een lokaal hoeven te zitten. Overal waar het kind internet heeft kan het de lessen volgen. Verwerkingen kunnen digitaal of in het werkwinkellokaal op school worden ingeleverd. De doelstelling van deze digitale leeromgeving is een bijdrage te leveren aan uitdagend onderwijs op maat voor deze doelgroep en ondersteuning te bieden aan onderwijsgevenden die hen daarbij begeleiden. De moderator, bij ons de werkwinkelleerkracht, regelt en onderhoudt een topdomein voor de school. Keuzewerk Voor het keuzewerk hebben we een reeks educatieve spellen en werkbladen voor korte verwerkingen. Leerlingen die een werkstuk hebben afgerond of die om een andere reden even iets anders willen, kunnen alleen, of met medeleerlingen uit de werkwinkel, een bijeenkomst of een zelfstandig werkwinkelmoment keuzewerk doen. Deze mogelijkheid zorgt ervoor dat leerlingen zich in ‘werktijd’ kunnen ontspannen, en dat de leerlingen altijd een goede tijdsbesteding in de werkwinkel kunnen maken. Verdiepen naar eigen keuze De leerlingen kunnen zich in de werkwinkel in allerlei zaken verdiepen. De werkwinkelleerkracht geeft handreikingen wat betreft de onderwerpen en biedt verschillende mogelijkheden d.m.v. het materialenaanbod. Een verdieping wordt afgesloten met een presentatie. Onderwerpen, manier van onderzoeken en gegevens verzamelen, en de vorm van presenteren, kiest de leerling zelf. We hebben werkwinkelrichtlijnen waaraan een presentatie moet voldoen. De oudere leerlingen geven één presentatie. Daarna wordt een eigen verdieping omgezet in een les. Een les bestaat uit een instructie, een verwerking en een controlemoment. Studeren De leerlingen in de werkwinkel moeten zich verdiepen in allerlei onderwerpen, ze moeten plannen, we vragen van ze om meerdere werk- en leervormen gelijktijdig te hanteren, en de leerstof kan pittig zijn. In de periode dat ze zelfstandig en volgens de werkwinkelnormen aan een presentatie werken worden er lessen gegeven waar ook leerwerk uit voort kan vloeien, werken ze aan contractwerk waarvan de verwerking binnen een bepaalde tijd af moet en krijgen ze opdrachten in de digitale leeromgeving Acadin. Bij het volgen van de vaste lessen ‘algemene ontwikkeling’ hebben de leerlingen hun aantekenschrift bij de hand. Iedereen maakt voor zich aantekeningen. Trefwoorden en korte zinnen moeten zo geordend zijn dat de leerling later een presentatie over dat onderwerp vanuit die aantekeningen kan geven. In het vaste lessenpakket zit ook de lessenserie “Leren leren” (Minka Dumont 2008). In deze lessenserie leren de kinderen over de werking van de hersenen en over de verschillende hersenfuncties. Ze leren hoe het geheugen werkt en toetsen hoe hun eigen geheugen de leerstof het beste onthoudt. Ze leren wat effectieve manieren van leren voor hen zijn en oefenen verschillende technieken zoals mindmappen, samenvatten, markeren en het maken van studiekaarten. Ze leren hoe ze écht moeten leren … want velen hebben dat nog nooit hoeven doen. We zijn inmiddels in een fase beland waarin we naast het door-ontwikkelen moeten waken voor het vasthouden van het al ontwikkelde. En dat is toch ook een serieuze en stoere taak. Het ligt ook helemaal in het verlengde van de ontwikkelingen in de leerstrategie van de werkwinkel. Het accent gaat, zowel bij de leerlingen als bij de scholingsmomenten voor de collega’s, liggen op waar het ontwikkelingspotentieel ligt. “Snelle” leerlingen hebben de potentie probleemstellingen goed op te lossen, maar kunnen daarin gehinderd worden door hiaten die ontstaan in hun leerontwikkeling omdat ze bepaalde executieve functies vanuit een snelle denkstrategie niet trainen. We proberen hier op school al jaren die hiaten te ondervangen en de problemen voor te zijn. En dat lukt ook goed. Maar het zou het mooist zijn als deze leerlingen dat vanuit een bepaalde mindset zelf leren doen. En eigenlijk geldt dat niet alleen voor onze cognitieve talenten maar voor alle leerlingen. Ook bij de scholing naar de collega’s gaan we kijken naar onze talenten. Maar we gaan ook leren dat er tegenover ieder talent ook een uitdaging staat en dat het ontwikkelpotentieel vooral bij die uitdagingen te vinden is. Dat maakt ons kritisch naar onszelf en dat leert ons weer ons onbewuste gedrag te doorgronden. En daarmee sturen we het Pygmalion-effect (leerresultaat verbeteren door onbewuste sturing vanuit onze verwachting). Ik voorspel hiermee een nog positievere uitwerking op de leerresultaten van onze leerlingen.
© Ron Schrijver
Site Navigation
De Werkwinkel