Home Werkwinkel Leerkrachten Quint Muziek Quint Verdiepingen Galerie Contact
Quint Verdiepingen 3
© Ron Schrijver

Pygmalion-effect en Mindset

Het Pygmalion-effect "Het Pygmalion-effect is gebaseerd een verhaal van de Romeinse dichter Ovidius. Dit verhaal ging over een beeldhouwer wiens gebeden werden verhoord toen zijn standbeeld van de voor hem ideale vrouw tot leven kwam.” (Aphrodite, dochter van Uranus of Zeus, liefde, schoonheid ..) In de tweede helft van de vorige eeuw vestigde Robert Rosenthal de aandacht op de grote en vaak onbewuste gevolgen van onze verwachting. En dan vooral met de verwachtingen die leerkrachten hebben van hun leerlingen. Hij deed een I.Q. test met alle kinderen van een groep. Vertelde de leerkracht dat een aantal kinderen het in zich had cognitief beter te presteren. Hij vroeg de leerkracht niets extra’s te doen met deze leerlingen maar sprak af ze over een jaar weer te toetsen. En dat gebeurde. Na een jaar presteerde de aangewezen leerlingen aanzienlijk beter dan de anderen. Zelfs hun cognitief vermogen was verbeterd. Wat hij er niet bij verteld had was dat de aangewezen kinderen de I.Q. test helemaal niet beter gemaakt hadden. De leerlingen in de aangewezen groep waren willekeurig gekozen. Dit onderzoek heeft hij, samen met Leonore Jacobsen, in groepen van verschillende leeftijden gedaan. En wat bleek: Hoe jonger de leerling, des te groter het effect. Dit effect noemen we ‘Pygmalion-effect’ of ‘Rosenthal-effect’. Dit onderzoek is gedaan in Californië. Rosenthal bewees hiermee dat de verwachtingen van de leerkracht de leerontwikkeling en het cognitief vermogen van kinderen beïnvloeden. Zowel positief als negatief. De verwachtingen werden niet uitgesproken, althans niet bewust. De verwachtingen resulteerden in onbewust gedrag dat, in deze situatie, leerrendement opleverde. Ik vind dit een super interessant gegeven. En het verbaast me eigenlijk dat er zo weinig mee gedaan wordt. Zijn we er dan niet benieuwd naar hoe die verwachting ons gedrag beïnvloed, wat we doen, en wat in ons gedrag kinderen aanzet om beter te leren en slimmer te worden? En willen we dat gedrag dan niet doorgronden en aanpassen naar gedrag dat het uiterste uit onze kinderen haalt? Heel kort door de bocht zouden we kunnen zeggen dat kennis onze verwachting stuurt. Of die kennis nu gegrond is of niet. Dus als je kennis rond strooit met als doel onze verwachtingen zo te beïnvloeden dat de kinderen er beter van worden hoeft het niet te kloppen. Een leugentje om bestwil … Of niet? Heel wat eerlijker zou het zijn, en veel duurzamer, als we ons verrijken met kennis waarmee we dat onbewuste gedrag kunnen doorgronden. Maar dat is wel ingewikkelder en het vergt een heldere en eerlijke zelfreflectie. Toch is het mijns inziens zeer de moeite waard om je daarop toe te leggen. Deze visie levert je beslist meer op dan alleen een beter leerrendement bij je leerlingen. Wat bepaalt (stuurt) onze verwachting? 1. Kennis 2. Mindset 3. Kwaliteiten en valkuilen 4. Ervaringen Kennis is dat wat we weten en wat we kunnen toepassen (Wikipedia). In deze betekenis lijkt het alsof we met onze kennis kunnen doen wat we willen en kunnen laten wat we willen laten. Toch is dat niet zo. Die kennis zit in ons en vindt zijn wegen ook buiten onze bedoeling om. Ik heb eerder in deze reader de invloed van onze bagage genoemd tijdens ons waarnemen. Hele neutrale feitelijke waarneming bestaat niet. Voordat wij begrijpen wat we zien hebben we onze waarneming al ingekleurd met onze verwachtingen. En dat moet ook want anders zouden we vaak niet begrijpen wat we waarnemen. Maar het is wel belangrijk dat we het ons bewust zijn. Alle kennis die wij opdoen slaan we op. En we kunnen met die kennis, wanneer nodig, vaak heel snel en adequaat handelen. En bovendien zit een groot deel van onze ontwikkeling in het uitbreiden van kennis. Maar nogmaals, laten we er ons van bewust zijn dat die kennis ons ook onbewust kan beïnvloeden. Dat heeft niet alleen het onderzoek van Rosenthal bewezen. Mindset is de overtuiging die je over jezelf hebt. Carol S. Dweck van de VS Stanfort University doet tientallen jaren onderzoek naar prestatie en succes. Ze ontdekt dat niet alleen onze talenten en vaardigheden zorgen voor succes maar dat succes ook in grote maten afhangt van onze mindset. Ze noemt twee mindsets: groei gerichte mindset en de statische mindset (growth mindset en fixed mindset). Ook wel groei-mindset en vaste mindset of open- en gesloten mindset genoemd. De groeimindset is: Gericht op vernieuwing Gericht op het leerproces Van fouten leer je Slimme dingen doen Uitdagingen aangaan De vaste mindset is: Gericht op de bekende weg Gericht op het eindresultaat Fouten maken is falen Slim zijn Uitdagingen vermijden Jouw mindset hoeft niet volledig de één of de ander te zijn. Veelal is het een combinatie van beide waarbij je meer naar de ene of de andere kant overhelt. Duidelijk mag zijn dat de groeimindset de meeste ontwikkeling oplevert, meer zelfreflectie mogelijk maakt en uiteindelijk, als we het wat doorvoeren, meer leerrendement kan opleveren bij leerlingen. Niet dat een goede leerkracht vanuit de vaste mindset geen leerrendement kan halen, maar ik ben ervan overtuigd dat diezelfde leerkracht vanuit een groeimindset meer bereikt. Hier volgen nog wat ervaringen vanuit de verschillende mindsets: Groei-mindset Vaste mindset Succes Succes ervaar ik als ik vooruitgang heb geboekt. Mijn doel is om beter te presteren. Succes ervaar ik als ik heb gewonnen. Mijn doel is om beter te presteren dan anderen. Uitdaging Van uitdagingen kan ik nieuwe dingen leren. Ik hou van uitdagingen, en ga ze graag aan. Bij uitdagingen loop ik het risico dat het mislukt (=falen). Ik kies liever voor het laten zien wat ik al kan. Inspanning Volledige inzet = ontwikkelen Inspannen is het uiterste uit je talenten halen. Inspannen betekent dat je weinig talent hebt. Als je echt goed bent hoef je je niet in te spannen. Feedback Het is een indicatie dat ik mij verder kan ontwikkelen. Ik neem feedback ter harte. Het is een indicatie dat ik dingen niet goed doe. Ik zal feedback proberen te weerleggen. Succes van anderen Succes van anderen geeft mij inspiratie. Succes van anderen is een bedreiging. Intermenselijk Ik vertrouw anderen. Ik ga in de eerste instantie altijd uit van goede bedoelingen van de ander. Ik heb moeite met anderen te vertrouwen. Ik ben altijd op mijn hoede voor minder goede bedoelingen van de ander. Intramenselijk Ik kan dingen goed en ik kan dingen niet. Dingen die ik niet kan kan ik leren. Ik ben neuraal flexibel. Ik kan dingen goed en ik kan dingen niet. Ik blijf graag ver weg van de dingen die ik niet goed kan. Zelfreflecteren kan heel lastig zijn. En het mag duidelijk zijn dat dit extra sterk geldt voor mensen met een gesloten mindset. Daniël Offman heeft de methode “Kernkwadranten” ontwikkelt. Kernkwadranten geven inzicht in je kernkwaliteiten en je uitdagingen. Hierbij is jouw kernkwaliteit datgene waar anderen jou in bewonderen. Je valkuil is datgene wat je wel eens wordt verweten (jouw kernkwaliteit in een doorgeschoten vorm). Jouw uitdaging is wat jij vaak bewonderd in anderen, wat tegenover je kernkwaliteit staat en waar voor jou het meeste ontwikkelpotentieel zit. Jouw allergie is waar je ergernis naar uit gaat. Je valkuil kun je gemakkelijk tegenkomen. Het is teveel van datgene waar je goed in bent. Je allergie zul je vaak bij anderen tegenkomen. Je uitdaging aangaan zal je al moeite kosten. De kans dat je daarin doorslaat is veel kleiner. Zie hier het raakvlak met het werken met cognitief talent. Ontwikkelpotentieel zit niet alleen in datgene wat ze goed kunnen, maar juist in de uitdagingen. Het niet werken aan de uitdagingen kan de ontwikkeling behoorlijk in de weg zitten. Manifeste, latente, en half-latente kwaliteiten Manifeste kwaliteiten zijn kwaliteiten die duidelijk aanwezig zijn. Ze manifesteren zich. De omgeving herkent de kwaliteiten evenals jijzelf. Manifeste kwaliteiten zijn kwaliteiten die optimaal ontwikkeld zijn. Soms zien anderen deze kwaliteiten beter dan je ze zelf ziet: je bent het gewoon gaan vinden. Latente kwaliteiten zijn verborgen. Je hebt de kwaliteiten wel in huis maar je weet het nog niet. Latente kwaliteiten bieden de mogelijkheid om je verder te ontwikkelen. Half latente kwaliteiten zijn kwaliteiten die je wel hebt maar selectief inzet. Als iemand de kwaliteit ‘directheid’ heeft maar in een bureaucratische omgeving werkt, kan het gebeuren dat hij deze kwaliteit thuis inzet maar op het werk niet. Blinde vlek: Mijn blinde vlek ligt daar waar ik kwaliteiten heb die een ander wel in me ziet maar waar ik mezelf niet van bewust ben. Daar ligt dus ontwikkelpotentieel want hoe sneller ik die kwaliteiten leer herkennen, erkennen en inzetten, hoe beter het met me gaat. Hoe meer ik me bewust ben van mijn eigen (manifeste) kwaliteiten (ik zie het) en hoe meer ik deze kwaliteiten inzet (de ander ziet het). Verschil kwaliteiten en vaardigheden Er is een groot verschil tussen kernkwaliteiten en vaardigheden. Vaardigheden kun je aanleren, kwaliteiten niet. Toch is er vaak een perfecte combinatie tussen kwaliteiten en vaardigheden. Iemand die de kwaliteit ‘inlevingsvermogen’ heeft, kan de vaardigheid ‘luisteren’ verder uitbouwen. Mensen met de kwaliteit ‘overtuigingskracht’ hebben vaak de vaardigheid om zich communicatief goed uit te drukken. Hierboven zie je een dia uit één van de werkwinkelbijeenkomsten. Het is een opsomming van kernkwaliteiten en een voorbeeld kernkwadrant. Met het maken van een eigen kernkwadrant (of meerdere) train je je zelfreflectie, geef je jezelf inzicht in je kwaliteiten en uitdagingen en dus ook in waar je ontwikkelpotentieel ligt. Let wel! Niet alle kernkwaliteiten hoeven op dezelfde valkuilen, uitdagingen of allergieën uit te komen. Bijvoorbeeld ‘Betrokkenheid’ kan als valkuil ‘Dwepend’ geven maar ook ‘Bemoeierig’. ‘Dwepend’ geeft als uitdaging bijvoorbeeld ‘Beschouwend’ en ‘Bemoeierig’ ‘Vertrouwen’. Op ‘Beschouwend’ volgt de allergie ‘Onverschillig’ en op ‘Vertrouwen’ ‘Afstandelijk’. Helder? Hier volgt de bijbehorende dia. Je hebt leuke rijtjes en niet-leuke rijtjes. De rijen ‘Kernkwaliteiten’ en ‘Uitdaging’ zijn de leuke rijtjes. De andere zijn negatief. Maar in welk rijtje ligt het grootste ontwikkelingspotentieel? Alle uitdagingen zouden ook kernkwaliteiten kunnen zijn en andersom. Je zou dit hele schema doormidden kunnen knippen en kunnen omwisselen. En dan kan jouw valkuil kan een andermans allergie zijn. Kun je je voorstellen dat het verloop van een samenwerking, een vriendschap of een relatie enige voorspelbaarheid krijgt als je dit kernkwadrantensysteem er op loslaat. Voor ons is het een tool om onbewust gedrag inzichtelijk te maken en zelfreflectie te trainen. Ons brein De ontwikkelingspsychologie erkent dat onze hersenen flexibel zijn (en zich tot aan onze dood blijven aanpassen). Niet meer kunnen leren en niet meer kunnen oplossen kun je dus aanleren. Optimistisch zijn kun je ook aanleren: aangeleerd optimisme. We noemen dit: Neurale flexibiliteit. In de hersenen onderscheiden we drie soorten verbindingen. Synapse verbindingen Baanverbindingen Hersenbalk (Corpus callosum) De synapse verbindingen zijn de verbindingen tussen bepaalde hersencellen (neuronen). Deze verbindingen maken we en verstevigen we tijdens het leren. Hoe steviger deze verbindingen, des te langer de leerstof beklijft. Baanverbindingen zijn de verbindingen tussen de verschillende hersengebieden. Deze verbindingen maken we door te trainen. Deze verbindingen zorgen ervoor dat we handelingen steeds beter en soepeler kunnen verrichten (let op, ook handelingen als automatiseren en begrijpen). De corpus callosum is de verbinding tussen de twee hersenhelften. Een goed ontwikkelde corpus callosum zorgt voor een goede samenwerking tussen die hersenhelften wat bijvoorbeeld een goede prikkelbeheersing kan opleveren of het doordacht maken van keuzes. Voor het maken van synapse verbindingen worden overgangsstoffen gebruikt. We noemen die stoffen Neurotransmitters. We hebben wel zo’n vijftig verschillende neurotransmitters met ieder zijn specifieke eigenschappen. De bekendste neurotransmitters zijn: Dopamine: genot, blijdschap, welzijn Adrenaline: stress, angst, woede Serotine: stemming, slaap, emotie, eetlust Noradrenaline: euforie maar ook spanning en opwinding Om een idee te geven hoe neurotransmitters ingezet worden neem ik als voorbeeld de Noradrenaline. In de locus coerulus, een gebied achter de middenhersenen, wordt de neurotransmitter ‘noradrenaline’ aangemaakt. Deze neurotransmitter maakt je aroused (enthousiast, actief, wakker) maar activeert ook de hypothalamus. De hypothalamus zit aan het begin van de stress-as en maakt het stresshormoon ‘cortisol’ aan. Deze gaat op o.a. de receptoren van de hippocampus zitten en remt daar af. De hippocampus (geheugen, nieuw leren, alert zijn) krijgt daardoor gefilterde informatie. De noise (ruis) is er uit. Daardoor kun je je concentreren en focussen op wat je wil. We kunnen daarom zeggen dat een beetje spanning of opwinding ons helpt focussen. Maar ook enthousiasme en arroused zijn kan daar goed mee helpen. De ervaring, die het enthousiasme veroorzaakt, zorgt uiteindelijk voor een goede balans tussen iets graag willen en weer een beetje het afremmen van dat gevoel. Die balans zorgt voor een goede heldere informatiestroom. Niet te veel en niet te weinig. Daar waar te weinig noradrenaline aangemaakt wordt kan de brei van informatie te veel worden om te kunnen concentreren. Zo ook een te weinig aan cortisol. Een groot tekort aan noradrenaline mond uit in flegmatisch gedrag. Teveel aan noradrenaline geeft overenthousiasme. Dit komt nogal eens voor. Gelukkig onderdrukt de cortisol dan vaak ook meer ruis. Het gevolg is wel dat bij dit overenthousiasme de aandacht voor andere zaken mee uitgefilterd kan worden.
Quint Verdiepingen 3
© Ron Schrijver
Site Navigation Houd je smartphone dwars voor de volledige pagina.